Deze pagina afdrukken

Krommedijk 6, Leemkuil - Akten, Verhalen en gebeurtenissen

  • Akten, verhalen en gebeurtenissen:

     


    Bron Gelderse Rekenkamer - Toegangsnummer 0012 - Inventarisnummer 5841 
    Vindplaats: Gelders Archief Landdrostambt Zutphen - Ontvangst van lage, civiele, hoge en criminele breuken Periode 1617-1619:

    Jan ten Broyell ende Herman Weeninck wesende dhuisslueden van Vith van Munster opte Leemcoull tHengeloe vande dienstweigering, sint by ordell ende sententi in dato vanden 24en juny 1618 gecondemniert, ende daeraver by desen drosten in broecke aengeslaegen, elck een op xv daeler ende xv molder haveren, doende te saemen xxx daeler ende xxx molder haveren, dhaver het molder betaelt tot ii £ conform Hisfeltz 4e  reeckeninge ondert ambt Hengeloe folio 8 verso articulo io beloepende tesamen in eene somme alhier Cv £

    in de marge:
    Desen ontfanck wort hier by deliberatie vanden Bureele ter goeder reeckeninge aengenomen. Op last vande compositie in volgende reeckeninge bewys aever toe brengen. Naederhant extract avergelevert van sententie byden Landtgerichte den viien july 1618 tussen den Landtdrost Dorth cleger ter eenre, und Jan ten Broyl ende Herman Weninck beclachten ter anderen syden, uuithgespraecken, daerin die beclachten gecondemniert worden wegen haer uuithbliven in een redelicke amende sonder dieselve uuith toe drucken, daer aff dan die compositie gedaen es gelick hier wort uuithgetagen tot (---)



    Lidmatenregister nederduits gereformeerd gemeente Hengelo gld (door Ben Dolman)
    Anno 1645 in augustus tot 1700 (nog niet gecorrigeerd) RBS 912

    Register der leden so tot Hengelo aen den tafel gaen ende communicieren ende eertijts gecommunicieert hebben, dogh nu verstorven sijn.

    1 Jonker Vijt Christoffel van Munster van de Leemkuijl 
    2 Jonker Roelof van Munster op Overenck
    3 Juffer Wolffs, huijsvrouw van J.(onker) Roel.(of) voornoemd
    4 Engelbert van Munster



    Uit huis archief van Batinge a
    Uit huis archief van Batinge b
    Uit huis archief van Batinge c
    Uit huis archief van Batinge d
    Uit huis archief van Batinge e
    Uit huis archief van Batinge f
    1643-1692 Bron 'Archief van Batinge'. (Delpher) 


     

    (transcriptie door Sikke Postma)

    Verponding 1647/1650
    GA 0005-397, scans 0273/0274

    Het huyss ende haevesaete die Leemkuijle, met den Boss, toebehoerende Jo[nke]r Vijth Christopher van Munster op 75 g[u]l[den]
    67-10-0

    Den bouwman Derck genoemt, bouwt 14 mold[er] 3 schepel 2 spint, ende bouwt het op die swaere gaerve, hijr bij een gaerden van 4 schepel 3 ½ spint
    Het bouwlandt 
    131-12-8

    An weijdelant 10 koeweijdens, die handt van den Landtmeeter Lindt, wort ten deele bij sijn Ed[ele[ selffs gebruijckt ende gesat op 25 d[ae]l[der]
    37-10-0

    Ende ‘t gene den bouwman gebruijckt.      
    Voorts van huijs ende hoff tot geltpacht 34 d[ae]l[der]
    51-0-0

    Ende 2 pacht verckens off 6 d[ae]l[der]
    9-0-0
    229-2-6     217-2-6

    Met enige opgaende eicken boemen
    Eijcken boemen



    1902 en 1652 jaarboek1652-1660-1729 Bron 'Limburg's Jaarboek'. (Delpher 1902)



    (transcriptie door Sikke Postma)

    ECAL
    Toegangsnummer          : 3021
    Inventarisnummer         : 637

    Op den 25 julij 1662
    Coram
    Conraet van Munster, stadtholder
    Gerichtsluijden Johan van Essen ende Gerrit Egginck

    Erschenen die hooch edele und wellgebornen heer Vijt Christopher van Munster tott der Leemcuijll etc. Ende hefft in den gherichte vertoent seeckere testamentaire besloetene dispositie, waerdoor verscheiden consenten getransfigiert, mett versoeck datt allsoodane dispositie, voor soo voele het allodiale daer inne begreepen ende onder desen landtdrosten gerichte gelegen, moeste worden geapprobiert ende geconfirmiert.
    Welcke billick versoeck ick amptshalven niet hebbe konnen verweijgeren. Soo ist dat ick stadtholder voornoemt alsoo dane dispositie hebbe geapprobiert ende confirmiert, als ick doe bij desen.
    S.A.L.



    1681 over brand richter Cremer blz 2321681 Bron 'Bijdragen en mededeelingen. (Delpher 1958)


     

    (transcripties door Sikke Postma)

    ECAL
    Toegangsnummer          : 3021
    Inventarisnummer         : 860

    Den 12 november 1684
    Coram
    Adam Cremer, richter
    Coergenoten Hendrick Hiddinc ende Theodorus Overstege.

    Erschenen Hendrick Welmers en dede omni meliore modo ac forma landtrechtens peinden op en an die gesamentlijcke gerede goederen, imboedel ende gerackheidt des huijses, voorts levendige have van Esken Lamberts op die Leem Cuijle en wat enighsins onder het gerede kan off magh gerekent worden, niets daer van uijtgesondert ende sulcx ten fine om te hebben betalonge van 30 Carolus gulden procederende van salaris in den jaere 1679 in saecke tegens different van’t velde tot een meerdere somma verdient ende op den 19 mertij deses jaers 1694 ter voorsseide somma veraccordeert una cum interesse a mora te weten sedert laestleden Sint Jacob, sijnde geweest op gestipuleerden en bedongen betaelsdach, peindet mede voor alle costen en schade als rechtens met versoeck van wete en relati ut juris, moris ac stijli.
    Salvis.
    Relateert den gerichts dienaer Hendrick Hiddinck dese bovenstaende wete van peindonge in manieren als versocht op den 18 deser an Esken Lamberts per copiam geinsinueert te hebben.



    ECAL
    Toegang 0556, huisarchief Verwolde
    Inv.nr. 1305

    Gezegelde en perkamenten brief waarbij Carel van Ripperda beleend wordt met de havezate ‘die Leemcuyl’ en het erve ‘Lenselingh’ in het kerspel Hengelo.  20 mei 1688.

    [Wij] Oswaldt, graeve tot den Bergh, marckgraeve tot Bergen op Zoom, graeve tot Walhain, Boxmeer, Champlite,  vrijheer tot den Bijlandt, Wisch, Peruiz, heere tot Dixmuijden, Haeps, Sambeeck, Berssel, Brainelaloit, Homoet, Millingen, Gendringen, Etten, erffbannerheer des vorstendombs Gelre ende graefschaps Zutphen, doen condt en certificeren met desen openen brief, dat voor den eerentvesten onsen lieven getrouwen Diederick Tiellemans, drost onser hoocheijdt Wisch, als stadtholder van Leenen, oircondt leenmannen doctor Wilhelm Goseman en doctor Hendrick Schaep, gecompareert is Hendrick ter Maeth den jongen, als volm[achtige]r van de welgeboorene vrouwe Margaretha, baronesse van Pallant, vrouwe douariere tot de Leemcuijl, vermogens vollmacht voor Herman Holtman en doctor Henrick Schaep, leenmannen van den huijse Keppel bij gebreck van onse leenmannen binnen Doesborgh op den 7e april 1688 gepasseert, te kennen gevende welcker gestalt sijne vrouwe principalinne uijt redenen haer welgeborene daertoe moverende, sonder ijmandts inductie en alsoo vrijwillighlijck geresolveert waere, te cederen, transporteren ende over te geven ten behoef en profijte van haeren soon, den oock welgeborenen heer Wilhelm Hendrick Carl van Ripperda, de adelijcke havesaete die Leemcuijl g[e]n[oem]t met het erve Lenselingh in’t kerspel Hengeloe gelegen, aen onsen graefl[ijcke] huijse van den Bergh leenruhrigh ten Zutphenschen rechten, en heeft dienvolgents comparant de voors[chreven] hovesaete en erve gecedeert en overgegeven aen handen van g[eme]lt[e]n onsen stadtholder aen statt onsers, renuntierende op alle het recht soo g[eme]lter sijne vrouwe principalinne daeraen is hebbende, met versoeck en ten eijnde haer welgeb[orenen] soon heer Wilhelm Hendrick Carl van Ripperda voorg[eme]lt daermede wederom moge beleent, beërft en berechtight worden, welck versoeck en cessie bij g[eme]lten onsen stadtholder aengenoomen zijnde, vermogens ons octroij van den 21e deses maents maij.

    Soo is wederom erscheenen Henrick ter Maeth als volm[achtige]r van de welgeb[orene] heer Wilhelm Hendrick Carl van Ripperda, heer tot Venhuijsen voorg[eme]lt, uijt cracht van volmacht voor Nicolaes Flaginck, advocaat en leenman der graefschap Lingen, en doctor Wilhelm Kellen, leenman van de provintie van Overijssel, bij gebreck van onse leenmannen, binnen Lingen op den 21 maij 1688 s[tylo] n[ovo] gepasseert,  en naerdat de voorg[eme]lte cessie en transport wegens sijn heer principael geaccepteert hadde, is op sijn onderdanigh versoeck met de voors[chreven] havesaet Leemcuijl en erve Lenselingh in naemen en ten behoef van de heer Wilhelm Hendrick Carl van Ripperdea voors[chreven] belieft en beleent, sulcker gestalt als sijne vrouw moeder daermede op den 4e maij 1676 beleent is geweest, en heeft dieselve daervan aen ons hulde en eedt van trouwe gedaen naer leenrechten ons en een ijeder sijn recht aen ’t voors[chreven] leen onvermindert.

    In oircondt der waerheijt hebben wij onsen graeflicke leensegel aen desen brief doen hangen. Geschiet in onse stadt ’s Heerenbergh in den jaere duijsent ses hondert acht en tachtentigh, den twee en twintighsten dach des maents maij.



    ECAL
    Toegangsnummer          : 3021
    Inventarisnummer         : 860/299-300

    Op den 2 augustus 1692
    Coram
    Adam Cremer richter
    coergenoten de heer Harmannus van Zelhem en Jan Hendricks

    Erschenen de heer doctor Willem Ignatius Baerken ende bekanden in de beste en de bestendichste forma regtens geconstitueert volmagtigh gemaect ende gesubstitueert te hebben doende sulcx bij desen den edelen procurater Gerret Noel om uijt alle constitutionele saecken tam active quam passive coram quibus et contra quoscunqe in der minne off bequaemste middelen regtens te vertreden en waer te nemen dienthalven te ageren desedieren alle terminen van regte tot de sententien en executien van dien incluijs te vervolgen voorts generaliter en specialiter te doen en laten geschieden het gene constituent self praesent zijnde soude konnen mogen off moeten doen schoon daer toe nae rigeur van regte naeder in specialer volmagt als in desen wierde vereijscht cum potestate substituendi clausulis rati habitionis et indemnitatis caterisque de jure solitis ac consuetis.

    Erschenen de doctoren Jan Georgh van Lamsweerde en Wilhelm Ignatius Baerken respective volmagtigers van jonker Engelbert van Munster craght volmacht alhier ten prothocol ervintelijck verhalende hoe dat wijlen jonker Vijt Christoffer van Munster eerstelijck an comparanten principael uijt de havesate de Leem Cuijle en daer onder gehorende erff Lenselinck alhier in Hengelo gelegen per donationem inter vivos met behoorlijck consent des leenheers op den 30 december 1666 s[crijfe] viC ses en dertich, een renthe van seventigh gulden jaerlijcx heeft verschreven, waervan het eerste jaer vervallen soude wesen nae doode van den donateur, ende naer verloop van ses jaeren, dat den possesseur van de voorsseide havesate soude geholden zijn dese voorsseide renthe te rediriceren, en an den comparanten principael uijt te keeren met de somma van veertijn hondert gulden capitaal, alles bij de angetagen leenverschrijvonge met meerderen ervintlijck waer nae hooghgemelte jonker Vijt Christoffel van Munster met gelijcken consent des leenheers op den 1 october 1647 ’t voorschreven capitael heeft geaugmenteert met 600 gulden en wel expresselijck begeert, dat in plaets van 1400 gulden naar doode van hem donateur, bij den possesseurs van de bovengemelte havesate an den comparanten principael soude anstonts uijtgekeert worden een capitale somma van 2000 gulden in vougen die havesate de havesate Leem Cuijle ende ’t goedt Lenselinck daervoor, ende voor derselver renthe ad 100 gulden jaerlijcx door den tegenwoordigen possesseur van de verbonden hijpotheken anstonts nae doode van den donateur jonker Vijt Christoffel van Munster, die in den jaere 1666 den 4 julij en alsoo voor 27 jaeren herwaerts overleden is, an den comparanten principael in conformite der geallegeerde verschrijvinge worde voldaen ende betaelt, soo ist nochtans sulx dat men, overigs t’sien, desersijdts veelvuldige minnelijcke interpellatien, daer van tot hier en toe geen de minste satisfactie en heeft becomen, deswegen men genoodtsaect wordt daer over den wegh regtens in te slaen en ter gevolge vandien mits desen ad fundandam jurisdi actionem bester gestalt regtens te versoecken peindonge op ende an verschulde en in eventum te verschijnen paghten van Esken bouman op de Leem Cuijle en Lenselinck ten fine om daer aen en voor soo veel doenlijck te verhalen een binnen en buijten jaerse renthe en dan noch 24 jaeren achterstandt van’t voorsseide capitael mitsgaders oock om te hebben voldoeninge en uijt reijckinge van’t capitael selfe maeckende tot den 4 junij 1692 incluijs te samen een summa van vier duijsent ses hondert gulden onder expresse reserve van’t geen men uijt de geaffecteerde pachten niet kan vinden ’t selve op de gront selve te willen soecken, met versoeck dat hier van de weeten an mesieur Santbergen tot Zutphen als verwalter volmachtiger ofte rentmeister van den hoogh geboren heer Ripperda, ofte an de hoogh geboren heer Ripperda selve heere tot Venhuijsen als tegenwoordigen possesseur en heere van de havesate Leem Cuijle ende ‘t erve Lenselinck zijnde, moge worden gedaen, immiddels die respective pachters de bouwluijden daer van gelast geen der voorsseide pachten uijt te tellen ofte sich oft eniger handt manier weerloos te maecken, eer en bevorens de comparanten principael wegens den angetogenen eijsch sal zijn voldaen, alles onder expres bedingh van costen.

    Decretum
    Fiat ut petitur
    attest interdictie en insinuatie ut petitum en wordt den gerightsdienaer gelast de gemelte inhibitie an de gemelte bouluijden te doen.

    Relateert Derck Banninck het verbot om geen pachten uijt te tellen off weerloos te maecken an de gemelte bouluijden Esken en Lenselinck gedaen te hebben op den 14 julij 1692.


    Op den 29 september 1692
    Coram ijsdem

    Erschenen dr. Wilhelm Ignatius Baerken volmachtiger van jonker Engelbert van Munster en heeft versogt denuntiatie en weete van sodaenige acte van arrest soo comparant op den 2 augustus 1692 op den pachten van de Leem Cuijle en Lenselinck gelijck breder bij deselve acte die men mits desen is inhaererende ervintelijck is, alles met protest ende eijsen van costen, doende de novo arrest op alle die machten soo tegenwoordig a solo bennen gesepareert ende gelijckmatich protest ende eijsen als bij de andere acten te vinden.

    Derck Banninck relateert op den 7 oktober 1692 hiervan de bouluijden insinuatie gedaen te hebben op den 4 oktober 1692

    Op den 14 oktober 1692 hiervan de weete per extract in absentie van mesieur Santbergen an desselfs huijsvrouwe behandicht die deselve pro insinuato heeft aengenomen.



    ECAL
    Toegang 0556, huisarchief Verwolde
    Inv.nr. 1305

    Gezegelde en perkamenten brief waarby Maurits Carel Georg Wilhelm van Ripperda beleend wordt met de havezate die Leemcuyl en het erve Lenselinck in het kerspel Hengelo.  4 october 1717.

    Wij Leopoldina, regeerende gravinne tot den Bergh, marckgravinne tot Bergen op Zoom, gravinne tot Walhain, Boxmeer en Champlite,  vrijvrouwe tot den Bijlant, Wisch ende Peruiz, vrouwe tot  Dixmuijde, Haeps, Sambeeck, Barssel, Brainelaleut, Homoet, Millingen, Gendringen en Etten, erffbannervrouwe des furstendombs Gelre ende graeffschap Zutphen, etc. etc.

    Doen kondt en certificeren met desen openen brieff, dat voor den eerentfesten onsen lieven getrouwen Diederick Tiellemans, drossard onser hoogheijt Wisch, als stathouder van Leenen, oircond leenmannen doctor Osw[ald] Tielemans ende secretaris Johan Wilhelm Haegen, gecompareert is Aron ex Alto d’Almaraz, righter tot Hengelo, in qualiteijt als volmaghtiger van die welgeboorne heere Mauritz Carel Georg Wilhelm van Ripperda, heere tot Vorden, Verwolde ende Leemcuyle, cragt volmaght voor doctor Wolter ter Brinck, greffier van de heeren Ridderschap van Overijssel, ende Herman Francken Muller, respective leenmannen der provintie van Overijssel, ende ’t huijs te Middaghten, bij gebreck van graefflijcke Berghsche leenmannen, onder des heeren constituants en leenmannen subscriptie en pitschafften op den 15 februarij 1717 op het huijs te Vorden gepasseert, alhier gelesen, geregistreert en voor goet erkent, en versoghte onderd[anig] namens ende ten behoeve van sijn heere principael voornoemt te meer worden beleent met die adelijcke havesate die Leemcuijle genaemt en het erve Lenselinck in den kerspell Hengelo, graefschap Zutphen kennelijck gelegen, aen onsen graefflicken huijse van den Bergh ten Zutphensen reghten leenroerigh, welk onderdanigh versoeck gemelten onsen stathouder an stat onsers accorderende, heeft voorn[oemde]n volmagtiger Aron ex Alto d’Almaraz in naeme ende ten behoeve van die heere Mauritz Carel Georg Wilhelm van Ripperda voorsz[eit] met de voornoemde havesate die Leemcuijle ende erve Lenselinck ten reghten voorschreven beliefft ende beleent, sulcker gestalt, als sijn heer vader zaliger, wijlen die oock welgebooren heer Wilhelm Henrick Carel van Ripperda, op den 22e maij a[nn]o 1688, daermede t’laatste is beleent geweest, ende heeft denselven daervan aen ons hulde ende eedt van trouwe gedaan nae leenreghten, ons ende een ijder sijn reght aen’t voorsz[eide] leen onvermindert.

    In oirconde der waerheijt hebben wij onsen graeffl[icken] leensegel aan desen brieff doen hangen. Geschiet in onse stat ’s Heerenbergh inden jaere een duijsent seven hondert en seventhien, op den vierden dagh des maants octobris.



    LEES OOK: 

    pdf1731 Boedelinventaris van Harmen Willemsen en Anneken Eskes op de 'Leemcuijle'

    (transcriptie door Sikke Postma)

     



    ECAL

    Toegang 0556, huisarchief Verwolde
    Inv.nr. 1305

    Gezegelde en perkamenten brief waarby Sophia Amalia Maria van Gent beleend wordt met de havezate de Leemkuyl en het erve Lenselinck in het kerspel Hengelo. 13 april 1752.

    [los briefje]

    Beleeninge van Jonkvrouw Sofia Amelia Maria Baronesse van Gent voor de Bergsche Leenkamer, met de Leemkuil en Lenseling, d.d. 13en April 1752.

    Wij Johan Batist, grave tot den Berg, Hohenzollern, Sigmaringen, des Hettersch erfkamerheer, marquis Bergen op Zoom, grave tot Valhain, Boxmeer en Champlette, vrijheer tot den Bijlandt, Wisch en Peruiz, heere [tot] Dixmuijden, Haeps, Sambeek, Barsel, Brainelabeut, Millingen, Pannerden, Gendringen en Etten, erffbanner[he]er des vorstendoms Gelre en graeffschap Zutphen, etc, etc, etc.

    Doen kond en tuijgen met desen openen brieff, dat voor den weledele onsen seer lieven getrouwen Jan van Essen, landrost en stadthouder van leenen onser graeffschap Berg, oircond leenmannen Philip Zago en Xaverius de Both, erscheenen is Lam[b]ertus Weeninck in qualiteijt als volmagtiger van de hoogwelgebooren fruelin Sophia Amilia Maria van Gent, dame de Heesbeen, Bistervelt, Zeller, die zooveel nodig geadsisteert met Hendrik Mathias Pauli, als hier toe haeren verkooren momboir als regtens,  uijt kragt van volmagt voor Abraham Telders en Caspar Frederik Stelfeld, respective leenmannen van de Leenkamer des hertogdom Cleve, en van de vrijherlikheijt Boxmeer, bij gebrek van hooggraeffl[ijke] Berghse leenmannen, onder de vrouwe constituantinne haeren momboir en leenmannen subcriptien en pitschappen binnen Goch den 29en  october 1751 gepasseert, alhier in deese  leengerigte vertoont, geleesen en van waerde erkent. En heeft voorn[oemde] volmagtiger onderdaenig versogt om uijt naeme van zijn principalinne te mogen worden verleijt en beleent met de adelijcke havesaete de Leemkuijl genaemt en met het erve Lenselinck in den kerspel Hengerlo kennelijk geleegen, aan den hooggraeff[elijken] huijse van den Berg ten Zutphensen regten leenroerigh, tot welk onderdaenig versoek gemelte stadthouder, aan stadt onsers geneegen zijnde, heeft voors[eide]n volmagtiger in naam van zijn principalinne belieft en beleent, zoo en in dier voegen als daermeede vrouwe Anna Maria Doratha van Linterlo door haeren volmagtiger op den laetsten januaij 1752 is beleent geweest, en heeft voorn[oemde] volmegtiger daervan in naeme van zijn principalinne desweegen bij hantastinge in plaetse van eede hulde en trouwe gedaan en verders aanbelooft te doen alle hetgeene waertoe een getrouw vasal zijn leenheer na leenregten verpligt is, ons als leenheer en een ijdermans goet hebbende regt aan het voorn[oemde] leenparceel onvermindert en voorbehouden.

    In waerheijts oirconde hebben wij onsen hooggraeff[elijk] Bergsen leenzegel aan desen brieff doen hangen en door onsen gesubstitueerde leengriffier onderteekenen laeten.

    Geschiet in onse stadt ’s Heerenbergh [ op den13en april, in den jaere duijsent seven] hondert en twee en vijfftich.


     
    Beschuldiging tegen Claas Reijnts en zijn zoons Harmen en Reijnt wegens manslag (1758-1762)

    Sikke Postma, 2018:

    Op 9 november November 1758 is er op de openbare weg even buiten Zutphen, op de ‘Ruitendijk’, ruzie ontstaan tussen Claas Reints en zijn zonen Harmen en Reint, boeren op de Leemkuil onder Bekveld in Hengelo, en de broers Garrit Jan en Berend Garritsen. Hierbij is door Claas en zijn zonen geslagen met het achtereind van een zweep en met stokken. Daardoor is Berend Garritsen zodanig gewond geraakt, dat hij volgens de dokter aan de gevolgen hiervan is overleden. Zijn broer Garrit Jan werd ook gewond en heeft veel pijn geleden. Vader Claas en beide zonen zijn toen op de vlucht geslagen, of hebben zich schuil gehouden voor justitie. Ze zijn in ieder geval niet verschenen op de verschillende zittingen van de plaatselijke rechtbank in Hengelo en de openbare rechtbanken in Doetinchem en Zutphen.
    De advocaat fiscaal (officier van justitie) heeft in diverse rechtbankzittingen als straf voor deze ‘manslag’ inbeslagname van alle roerende goederen en opbrengsten van de landerijen van Claas gevorderd. Op grond van huwelijkse voorwaarden mag de vrouw van Claas, Willemina Harmsen, de helft van deze goederen en opbrengsten behouden. De advocaat fiscaal verbiedt haar, haar zoon Hendrik en hun advocaat echter om, ten gevolge van de ‘criminele’ actie van haar man en zonen, in een gewoon gericht hiertegen verweer te voeren. Over dit geschil gaat een groot deel van de tekst.
    Uiteindelijk wordt het hele dossier naar het Hof van Gelderland gestuurd om hierover een uitspraak te doen. Het Hof accepteert de visie van de advocaat fiscaal, zodat de inbeslagname door kan gaan.
    De hierna volgende transcripties zijn van de desbetreffende akten, die gevonden worden in de boeken van het Oud Rechterlijk Archief van Zutphen (ORA). Deze zijn opgeslagen in het Erfgoed- centrum Achterhoek Liemers (ECAL) te Doetinchem onder toegang 3021, inventarisnummers:
    042: Prothocol van Heeren- of Fiscaal Zaken voor het Hoge Landdrosten Gerigte der Graafschap Zutphen (periode 1758 – 1772)
    671: Register van’t rigterampt Hengelo
    876: Richterambt Hengelo, Protokol van contentieuse en volunt[aire] akten (periode 1757-1776)

    Het betreft hier dus niet de akten uit het procesdossier van de Hof van Gelderland, dat aanwezig is in het Gelders Archief, toegang 0124, Hof van Gelre en Zutphen, inventarisnummer 4624, procesdossier nummer 1759/10: Landdrostambt Zuthen contra Claas Reynts Leemcuyl en 2 zoons, Manslag (zie ook 4 maart 1760).

    LEES OOK de transcripties: 

    Beschuldiging tegen Claas Reijnts en zijn zoons Harmen en Reijnt wegens manslag (1758-1762)

    (transcripties door Sikke Postma)

     


     

    LEES OOK: 

    1758 'Leemkuil en Zoonen'    door Jarich Renema (2020)

    (bron 'De Olde Kaste',  Historische Vereniging Hengelo Gld.) 

     



    LEES OOK:

    Uit Schatten uit het historisch verleden van Hengelo (Gld) (door Marian Kruijt-Greevink)


    Doodslag op Berend Garritsen door Claes Leemkuijl

    ECAL 3021 - 876

    Hengelo, den 10. April 1762

    Op 9 november 1758 heeft een zekere Claes Leemkuijl een dorpsgenoot genaamd Berend Garritsen van het leven beroofd en is ‘sedert het geperpetreerde 47 feijt’ met de noorderzon vertrokken. De advocaat fiscael van het 'Hoge Landdrosten Gerigt' der Graafschap Zutphen, meester W.S. Meijling verscheen voor het 'WelEdele Landgerigte' van Hengelo en meldde dat de HoogWelgebooren heer F.J. Vrijheer van Heeckeren, Landdrost van het bovengemelde graafschap, is aangesteld om alle opbrengsten, pachten, vruchten, goederen, erven en landerijen die de ‘fugutiven’ 48 Claes Leemkuijl op het moment van de doodslag in bezit had, in beslag te nemen en de opbrengst van de oogst vast te stellen. De vrouw van Claes, Harmina Harmsen, had op 2 december 1758 geprocedeerd om de helft van hun bezit ‘de halfscheijd volgens huwelijkse voorwaarden’ en de opbrengsten  van haar in beslag genomen goederen, terug te eisen, maar zij heeft sinds de misdaad, door haar man gepleegd, de opbrengst van alle percelen, de gehele jaarlijkse inkomsten in eigen zak gestoken en daarom werd zij gesommeerd om de ten onrechte geïnde penningen van deze 'halfscheid weder uijt te keeren en te betaelen, bij manquement van dien requireert den comparant (mr. Meijling) dat van nu af aen de opkomsten en vrugten van ’t geheele jaer tot so lange als den agterstand tijdens ’t arrest en gedane beslag zal zijn betaalt, aen hem worde gebragt en gelevert’. Daarop werden ook de boeren, die de erven Banninkslag en Lhomansplaetse in pacht hebben, beide in het Rigterampt Hengelo gelegen, verzocht om hun ‘penningen niet weerloos te maken’ en er voor te zorgen dat het geld op de eerstvolgende 'verschijnsdag tegen behoorlijke quitantie' overhandigd kon worden, op straffe van vervolging van hun persoon en goederen. De onderrechter Derk Wassink werd opgedragen deze zaken te registreren en een kopie aan genoemde huisvrouw van Claes Leemkuijl en de bouwlieden op Banninkslag en Lhomansplaetse te overhandigen, wat op 13 april 1762 is gedaan.

    47 verrichten, begaan (van misdaden)
    48 gevluchte


     

    (transcripties door Sikke Postma)

    ECAL
    Toegang 0556, huisarchief Verwolde
    Inv.nr. 1305

    Gezegelde en perkamenten brief waarby Fredeik Willem van der Borch, heer van Verwolde, beleend wordt met de havezate de Leemkuyl en het erve Lenselink in het kerspel Hengelo.  6 maart 1771.

    Naamens en van weegens zijn hoogh graaffelijke excellentie den hooggebooren heer Johan Baptist, Grave tot den Bergh, Hohenzollern, Sigmaringen, als leenheer etc., etc., etc.

    Doen cond, tuijgen en certificeren ik Johan Bolandt, gesubstitueerde stadholder der leenen van het hoogh graaffelijcke huijs Bergh, dat voor mij, oircond leenmannen Xaverius de Both en Philip Zago, erscheenen is Anthoni de Both, in qualiteijt als volm[agtige]r van den hoog welgebooren heer F.W. van der Borch, heere van Verwolde, en die hoog geboore vrouwe S.J. gravinne van Rechteren, egtel[ieden], uijt kragt van volmagt voor J.B. ten Behm Wentholt, leenman van den huijse Hemmekink, Joh[an] op ten Noort, leenman van den huijse Dorth, en H. Brantsen, leenman des forstendoms Gelre, onder des leenmannen hunne subscriptien en pitschappen, bij gebrek van hoog graafflijke Bergse leenmannen, op den 1e maert 1771 op den comp[aran]t q.q. gepasseert, alhier in deese leengerigte vertoont, gelesen en ten fine van registratuire overgegeven, en versogte voorsz[eide] volm[agtige]r om naemens den hoog welgeb[oore]n heer F.W. van der Borch, in qualiteijt als man en momber van zijne ehevrouw, van nieuws verleijt en beleent te mogen worden met de adelijcke havezaete de Leemkuijl en het erve Lenselink, beijde in het lantdrostenampt der graafschap Zutphen, kerspel Hengelo kennelijk geleegen, en aan den hoog graefflijke huijse van den Bergh ten Zutphensen regten leenroerigh, zijnde het voorgemelte leengoet alnu op die hoogh welgeb[oore]n vrouw S.J. van der Borch, geboore gravinne van Rechteren na doode van haere vrouwe moeder die ook hoog welgeb[oore]n vrouwe Maria Margaretha Torck, douariere van wijlen den hoog welgeb[oore]n heer Rudolph Bernhard Volkert, Grave van Rechteren, heere van de Velner, als haare eenige en universeele erfgenaam ab intestato, is gedevolveert, en zulx in dier voegen, als wijlen haer vrouwe moeder, als eerste erfgenaam van wijlen de freule Sophia Amalia Maria van Gendt, in leven vrouwe van Heesbeen etc., bij haer testamentaire dispositie, op den 14e april 1752 beslooten gepasseert, en den 9e october 1754 geopent, in haere naegelaetene feudaele goederen geinstitueert, met het voors[chreve]n leengoet op den 4en junij 1768 door een geconstitueerde hulder is beleent geweest. Welk versoek bij ons stadhouder en mannen van leen, in deliberatie geleijt zijnde, hebben wij vervolgens den comp[aran]t naemens zijn principael, den hoog welgeb[oore]n heer F.W. van der Borch, heer van Verwolde, in qualiteijt als man en momboir van zijne ehevrouw boven genoemt, met het vooraangetoogene leengoet ten regten voors[chreve]n van nieuws wederom verleijt en beleent, zoo en in dier voegen als vrouwe Maria Margaretha Torck, douariere van den hoog welgeb[oore]n heer Rudolph Bernhard Volkert, Grave van Rechteren, heere van de Velner, door een geconstitueerde hulder op den 4e junij 1768 ’t laetste daer mede is beleent geweest. En heeft vervolgens den comp[aran]t in qualiteijt als vooren hier van bij hantastinge in plaetse van eede hulde en trouwe gedaan, en verders aanbelooft te doen, alle ’t geene waer toe een getrouw vazal zijnen leenheer nae leenregten verpligt is. Zijn hoog graeflijke ex[cellen]tie als leenheer en voorts een ijder sijn goed hebbende regt aen ’t voornoemde leen onvermindert en voorbehouden. In waerheijts oirconde zoo hebben wij, den hoog graefflijke Bergsen leenzegel aen dezen brieff doen hangen en door den leengriffier laeten teekenen. Geschiet in de stad ’s Heerenberg op den sesden dag van de maent maert in’t jaer onses Heeren duijsent seven hondert een en seventig.

    [w.g.]
    Xaver: de Both, leengriffier
    1771


     

    ECAL
    Toegangsnummer          : 3021

    Inventarisnummer         : 43

    05-02-1772
    Fiscus beklaagt van ’s Heeren weegen Berent de boer van de Leemkuil omdat hij Jan Meijer, sonder eenige reedenen geslaagen heeft, en eijscht diesweegens van hem eene boete van vier daalders. J.M.S.
    Hier op ingevolge wel g’exploieteerde citatie, afwagtende des beklaagdes comparitie, voorts be- of ontkentenisse deeser clagte, sin secus etc. Salvis.

    Beklaagde versoekt ‘s Heeren gemoed.

    En is denselven daar op geklaart in twee daalders, cum expensis.

    ---------------------------

    Op den 21 october 1793

    Is gericht binnen de stad Doetinchem gehouden. Zat op’t raadhuis binnen Doetinchem gerichte de heer Johan Jacob Schluiter, stadhouder, sampt die heeren C.J. Cremer en F.W.F.T. van Pallandt, als schepenen, richteren gerichtsluiden.

    Advocati fisci beklagen, van ’s Heeren wege, de bouwlieden op Leemkuil en Meijerink, ter oirzaak zij respectivelijk op den 24 augustus dezes jaars gebood zijnde, om den gemeenen heerenweg te helpen maken, zulks geweigerd hebben.
    En eischen dieswegens van ieder derzelven, naar teneur van’t 14 artikel van’t meer aangetogen reglement een boete van twee daalders.
    Afwachtende hierop alnu, ingevolge wel geëxploiteerde citatien T.N.R. der beklaagden comparitie, voorts be- of ontkentenis dezer klachte, sin secus etc. Salvis.

    De beide beklaagden verzoeken ’s Heeren gemoed.

    Waarop dezelven zijn geklaard in de boete van eenen daalder, met de kosten.

    [In de marge:] Fiscus c[ontra] de bouwlieden van Leemkuil en Meijerink



    LEES OOK: 

    pdf1793 Taxatierapport Leemkuil en Lenselink.pdf

    (bron Gelders Archief 0463-167)

     



    (transcripties door Sikke Postma)

    ECAL
    Toegangsnummer          :3021
    Inventarisnummer         : 891-60/61

    Op den 1 junij 1797 des avonds om ses uur
    Coram judices D.W. Becking en Gerrit Jan Onstenk
    Compareerde Berend Lenderink en desselfs huijsvrouw Anneken Leemkuijl marito tutore, en bekenden voor eene somma van agthondert gulden verkogt te hebben aan haaren soon Aalbert Lenderink haare halve bouwerij die zij op het erve Leemkuijl zijn besittende bestaande in levendige have en vhee, gesaaijen in en op het land, mest en mestregt, houtgewassen, inboedel des huijses, niets daarvan uijtgesondert, als alleenlijk een koolhoop die thans gaar en gebrand op de plaats is staande, welke de comparanten voor sig zijn uijtbedingende, om deese halve bouwerije als […] eijgendommelijk goed te hebben en te blijven behouden. Zullende van deese coopspenningen door haaren zoon kunnen worden gekort eene somma van driehondert gulden, welke de comparanten aan hem ten huwelijk mede geven, en de resterende vijfhondert gulden moeten worden betaalt als de comparanten daar om benodigt zijn en dit koomen op te eijschen, vervolgens de bouwerije en huijshoudinge op het erve de Leemkuijl door hunlieden ieder voor de halfscheijd ten gemeene schade en baate worden waargenoomen. De huijshoudelijke schulden die na dato deeses koomen te loopen ieder half en half gedragen worden, waartegen ook het voordeel dat uijt de bouwerije komt te spruijten ieder voor de halfscheijd zal geprofiteert worden. Zijnde wijders geconditioneert, dat wanneer het gebeurde zij comparanten koomen te overlijden, dat alsdan genoemden haaren zoon Aalbert Lenderink de overige en door haar nog onverkogte halve bouwerije zal behouden, daarvoor haar beijde comparanten een ordentelijke begravenis laaten aandoen vervolgens in den boedel uijtkeeren eene somma van driehondert gulden.

    Daarop mede erscheenen Aalbert Lenderink en verklaarde den koop van de halve bouwerije op het erve de Leemkuijl van zijn vader en moeder Berend Lenderink en Anneken Leemkuijl te accepteeren, aannemende de conditien daar bij gestipuleert in alle zijn leden en deelen te zullen agtervolgen en naleven, ten dien eijnde daarvoor verbindende zijn persoon en goederen ter submissie en judicature als na rechten, de super stipulando S.A.L.
    [w.g.]
    DW.Becking
    G.:J: onstenk



    1869 delppher1869 Bron Zutphensche Courant. 

    1892 Delpher1892 Bron Zutphensche Courant.

    1917 a1917 b1917 Enkele pagina's uit de veilingcatalogus van het Kervel.
    Kopie H. Schuppers-Demming. 

    1925 delpher1925 Bron Zutphensche Courant.

    Uitsnede uit het boek van Willy Hermans copy Leo SlutterBron Willy Hermans. 




    LEES OOK: 

    pdf
    'Leven in de verkeerde tijd'

    Over het leven van Sijbrand Bartholomeus Bigom, kostganger op de Leemkuil tussen 1819/'20 en 1828.

    door Judith Lettink



Laatst aangepast op woensdag 30 september 2026 09:48