Buurtschappen, Dorpen, Brinken en Wijken in de gemeente Zelhem.

Behalve het oude dorp bestaat de gemeente Zelhem uit een aantal dorpen, buurtschappen, brinken, hoeken en wijken. 

Allereerst de brinken. Dat zijn de oudste bewoningscentra aan de rand van de grote Zelhemse es. Het woord brink wordt hier gebruikt in een zeer oude betekenis: een open ruimte bij een erve of hoeve aan de rand van een es of enk. Door splitsing van de hoeve of anderszins kwamen er meer boerderijen in de loop der tijden. De brink wordt dan genoemd naar de oude hoeve. Zo kennen we in Zelhem de Buunkbrink, de Wassinkbrink, en de brink bij de Papenburg. De oude boerderijen liggen in groepjes bij elkaar. Uit veiligheidsoverwegingen heeft men dat gedaan.

De naam hoek werd gegeven aan vestigingsgebieden uit latere tijden. De hoeken liggen verder van de kern van het dorp dan de brinken. Door uitbreiding van de bevolking kennen we de Heidenhoek, ook wel Heidenheurne genoemd, en de Winkelshoek. Hoek en heurne hebben dezelfde betekenis: een groot stuk  grond buiten de es voor bewoning geschikt gemaakt.

Wijken zijn de jongste vestigingsplaatsen. Tenslotte lagen er binnen de gemeentegrenzen uitgestrekte woeste gronden, zoals het Zelhemse zand en het Wolfersveen. Deze woeste gronden waren nodig voor de bedrijfsvoering van de boer. Hij stak er plaggen in grote hoeveelheden, zijn schapen graasden er en hij stak er -schadden- voor brandstof en groef er turf voor het vuur. De grootte van het akkerbouwbedrijf werd bepaald de hoeveelheid mest die ter beschikking kwam. Er was eigenlijk doorlopend gebrek aan mest. De schapen die overdag op de heide graasden werden 's nachts gehouden voor de mest die zodoende weer vrijkwam. De heide plaggen werden gebruikt als strooisel in de potstal. Zo kreeg men pluizenmest voor de verbouw van aardappels, die een zware bemesting nodig hadden, de bemesting bestond vaak uit 60 tot 80 karren pluizenmest per ha. Rogge moest het met de helft doen. Ondanks deze grote hoeveelheden mest was de opbrengst nu niet om over naar huis te schrijven. Door de eeuwenlange bemesting van de akkers met pluizenmest zijn de essen en kampen sterk opgehoogd. Men rekent 10 cm. per eeuw verhoging.

Gooi (Goie)
Uit: Mensch en land in de middeleeuwen, door B.H. Slichter van Bath.
Goie 1255. Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen, nº 775.Door L.A.J.W. Sloet, 1872 – 1876. Gooi.
Halle (Halla)
Uit: Mensch en land in de middeleeuwen, door B.H. Slichter van Bath.
Halla, ± 1050 (Die Urbare der Abtei Werden, 1906/1917. Heberegister Werden II 142). Halle.
Halle Heide
Eerst vernoemd in ?
Halle Nijman
Eerst vernoemd in ?
 
Heidenhoek (Heydenheurne)
Ergens werd beweerd dat de naam te maken heeft met 'heidens', ofwel zigeuners, die hier ooit een kamp zouden hebben gehad. Of wel de volgende betekenis is simpelweg Heidenhoek in het plaatselijk dialect spreekt men het uit als Heienhoek. In het verleden werden er veel schrijffouten gemaakt. Men schreef het op zoals het gehoord werd. Wanneer deze fout ontstaan is weten we niet, maar heden ten dage is het nog steeds Heidenhoek. Eind 1800 begin 1900 lag nog een grote oppervlakte aan heide in deze streek.
Register op de leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Zutphen
Heydenheurne, 1495 (Register.Leenakten Gelre en de graafschap Zutphen. 221) Heidenhoek
Hoenewijck
Register op de leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Zutphen
Hoenewijck. 1424 (Register.Leenakten Gelre en de graafschap Zutphen. 224) Heidenhoek.
Meene, De
Wordt genoemd in 1643. Er zijn dan al mensen die "an de Meene” wonen. Het lijkt ons derhalve te gaan om een buurtschap.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 46.
 
Menen, De Zelhemse
Wordt genoemd in 1620.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 23

't Loo
Eerst vernoemd in ?
 
Nichtersim
Uit: Mensch en land in de middeleeuwen, door B.H. Slichter van Bath.
Nichtersim, 1255. Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen, nº 775. Door L.A.J.W. Sloet, 1872–1876. Heidenhoek.
Oosterwijk
Werd eerst Zodderloe genoemd. Oosterwijk: wordt reeds genoemd in 1553.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 5.
 
Papenborg
Het goed Papenburg wordt reeds genoemd in 1619.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 22.
 
Selehem
Register op de leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Zutphen
Selehem, 1152. Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen, nº 300.Door L.A.J.W. Sloet, 1872 – 1876. Zelhem.
Velswijk (Velswijck)
Register op de leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Zutphen
Veldwijk; Velswijk 1379 (Register.Leenakten Gelre en de graafschap Zutphen. 243).Velswijk.
De Velswijk is oud, met de Wassinkbrink en de Oosterwijk behoort het waarschijnlijk tot die plaatsen in Zelhem waar zich al zeer vroeg mensen vestigden. De naam Velswijk komt voor het eerst voor in een leenakte van 1379 waar het goet Hummeldinck (Jolink) genoemd wordt “in den kerspel van Zelem in der buyrschap van Velswijk”. Hiervoor worden al genoemd maar zonder de bijvoeging Velswijk de boerderij ’t Goet te Alkingh = Jaaltink, Aldekoninck Dijker Roessinkweg. Goet Nyenconinck, zodat mag worden aangenomen dat de vroegste bebouwing van de Velswijk was gelegen in de buurt van de huidige Jaaltinkweg en Banninkstraat. Voor onze jaartelling woonde in deze streken een Germaanse stam, de Chamaven. Omstreeks 400 kwamen hier Saksen wonen. Aangenomen mag worden dat de Chamaven zich in deze bevolkingsgroep opgelost hebben. Tijdens de regering van Karel de Grote (768-814) werden de Saksen door deze Frankenkoning onderworpen (785) en kwam dit gebied onder Frankisch bestuur. Door Karel werden de Saksen gedwongen tot Christendom. Hiervoor stuurde hij zendelingen o.a. Ludger, die in 801 een kerkje in Zelhem liet bouwen. Veel Frankische boeren werden als kolonisten overgeplaatst naar deze gebieden, waar ze op hun eigen manier hoeven bouwden en de grond gingen bewerken. Deze boeren probeerden zich al niet meer met roofbouw bezig te houden maar bemestten hun land. Voor deze bemesting was schapenmest zeer belangrijk. Om deze mest te bewaren werd de zogenaamde “potstal” gebouwd. Er werd goed voor gezorgd, dat de schapen ’s nachts in de stal verbleven waar binnen korte tijd de mest zich ophoogde. Vervolgens ging de boer heideplaggen (schadden) steken die over de laag mest werden uitgespreid waar op de schapen nu weer droog konden staan en liggen. In het voorjaar dan werd de stal uitgemest en over de hooggelegen akkers verstrooid wat tot gevolg had dat de enkgronden steeds hoger werden. Iedere boer had bij zijn hoeve een speciale “schaddenschuur” Bijna alle namen waar Veld in voorkomen hebben met deze schadden en turf te maken en daarom mag worden aangenomen dat de naam Velswijk een verbastering is van Velt-wijck, een steek dus waar heide en veen voorkwam.
Wassinkbrink
Zie Gooi.
Wiecherdink brink
Wordt reeds genoemd in 1609.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 11
In 1793 heet het Wicherinkbrink.
Bron: akte 1793, verdeling Erve Weetink, Velswijk. De brink waar Weetink lag heette zo. Waarschijnlijk: Weetink, Wissink, Hemmekink.
 
Winkelshoek (Winckelhoeck)
Register op de leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen, Het Kwartier van Zutphen
Winkelhoeck, 1405 (Register.Leenakten Gelre en de graafschap Zutphen. 239) Velswijk.
Wittebrink
Wordt reeds genoemd in 1609.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 11.
 
Wolfersveen
Heeren of Wolfsveen: wordt reeds genoemd in 1800. “ … Heeren of Wolfsveen, ten Noorden aan de Hengelosche markt, de groote of uitgestrektheid is onmogelijk te bepalen, is van nature zo verder heijde en zandgrond betreft onvrugtbare grond. Hiervan is niets aangewonnen of aangeslijkt. Kaarten zijn hier niet van voorhanden.”
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, Blz 178.
 
Zand, Het
Wordt genoemd in 1786.
Bron: Markeboek Dunsborger Hattemer Marke, 1553-1810, blz 154.
 
Zodderloe (Zuerloe)
Uit: Mensch en land in de middeleeuwen, door B.H. Slichter van Bath.
Zodderloe, (Zuerloe sinds 1743 Oosterwijk) 1376. Bijdrage en Mededelingen, uitgegeven door Gelre, sedert 1898. XII 470.