Sarinkdijk 21, Groot Gotink - Akten, Verhalen en Gebeurtenissen
-
Akten, verhalen en gebeurtenissen:
(transcripties door Sikke Postma)ECAL
Toegangsnummer : 3021
Inventarisnummer : 0880/226-230Exhibeert den 20e februarij 1751
Staet van inventaris opgerigt uijt naam van Janna Hendriks weduwe van wijlen Harmen Groot Gotink over de gerede en ongerede goederen soo sij met wijlen haren eheman voornoemt heeft beseten en haer stervende zijn naegelaten alle in- en uijtschulden den boedel enigsints rakende alles ter goeder trouwe laten opstellen, edog met desen expresse beding dat soo indien onvermoetlijk een of ander te onregt mogt opgestelt of vergeten wesen, bij nader informatie ten allen tijden te mogen vermeerderen of verminderen of veranderen buijten praejuditie van de overledene erfgenamen en is bevonden als volgt:


Welke 134 gulden 9 stuiver an de kinderen als zij haere mundige jaren een ijder hebben bereet als dan sal hebben 1/5 portie ad 26-17-0. Daer en boven geaccordeert behoorlijk te verplegen in cost en drank, en ter scholen laeten gaen, sonder eenige ontgeltenisse, dit onder verband van haere personen en goederen voor alle heeren, hoven en gerigten ten parate en reële executie hier op gestipuleert als regtens.
[w.g.]
A.E.d’Almaras
20-2-1751 rigter
Jan Casper Ditzel
Hendrik Jan Ditzel
Op den 20e februarij 1751
Coram Aaron Exalto d’Almaras, rigter
Gerigtsluijden Casper Ditsel en Hendrik Jan DitselCompareerde Janna Ellerdink wedue van wijlen Harmen op Groote Gotink, geassisteert met Henrik Eeltink te kennen gevende dat voornemens was te trouwen met gemelte Henr. Eeltink weshalven versogte een paer mombaren over haere 5 onmundige kinderen bij wijlen hare voorschreven eheman in echte geteelt met naeme Wanner, Henrik, Janna, Anneken en Harmken die de kinderen beste besorgen en ’t argste keeren.
’t Gerigte stelt tot mombar Theunis Wassink op Sarink, en Wanner Gotink op Mennink welcke bij handtastinge hebben angenomen haere compstige mombarschap trouwelijk te bedienen, en verburget als regtens.
[w.g.]
A.E.d’Almaras
20-2-1751 rigter
Jan Caspaer Ditzel
Hendrik Jan Ditzel
ECAL
Toegangsnummer : 3021
Inventarisnummer : 0908 / 17-22Inventaris, momberstellinge en magescheijd van Jan Groot Gotink weduwnaar wijlen Maria Kleijn Gotink de dato 11 november 1796
Staat en inventaris van alle zodane gerede en ongerede goederen als Jan Groot Gotink weduwnaar wijlen Maria Kleijn Gotink in leven gemeenschappelijk hebben beseten en bij de laaste stervende nagelaten zijn; met alle in- en uijtschulden den boedel eenigsints rakende alles ter goeder trouw en na beste wetenschap door den eerstgemelden als langst levende erfuijter en boedelhouder opgegeven om te strekken tot een scheijdinge tusschen hem en zijne minderjarige kinderen bij wijlen gemelte zijne ehevrouw in ehe verwekt.Ongerede goederen zijn in deesen boedel niet voorhanden.

Op den 11 november 1796
Coram L.A. Willinck, richter
Gerigtsluijden D.W. Becking en mr. J.E.T. GrotheCompareerde Jan Groot Gotink weduwnaar wijlen Maria Kleijn Gotink te kennen gevende dat voornemens was wederom te trouwen; versogte dierhalven dat over zijn twee minderjarige kinderen met namen Hendrik oud 7 jaar, Diena oud 5 jaar, bij voornoemde zijne ehevrouw in ehe verwekt, tot momberen mogten worden aangestelt de persoonen van Lucas Meijerink op Groot Zel en Aalbert Garritsen op Kleijn Zel en teffens gelast die momberschap op zig te neemen.
’t Gerigte steld tot momberen over opgemelte onmondigen met en neffens der kinderen oom Lammert Kleijn Gotink de persoonen van Lucas Meijerink op Groot Zel en Aalbert Garritsen op Kleijn Zel.
Welke bloetmomber en momberen voornoemt daarop in judicis zijn erschenen en hebben deesen haare momberschap bij handtastinge aangenomen en daarbij aanbelooft zig als momberen na landrechten te zullen gedragen, voorts verburget met haare persoonen en goederen, als na rechten.
[Eodem dato et coram eisdem (zie ECAL3021- 903-224)]
Compareerde Jan Groot Gotink weduwnaar wijlen Maria Kleijn Gotink ter eenre, voorts Lammert Kleijn Gotink, Lucas Meijerink op Groot Sel en Aalbert Garritsen op Kleijn Zel, den eersten als oom en bloedmomber, de beijde laaste als gerigtelijk aangestelde momberen over de twee minderjarige kinderen van den eersten comparant bij gemelte zijnen ehevrouw in ehe verwekt, ter anderen zijde, en exhibeerden staat en inventaris van boedel zo den eersten comparant met zijn minderjarige kinderen gemeenschappelijk is besittende met een onpartijdige taxe van die boedels goederen waaruijt komt te blijken, dat deesen boedel alleen in gerede goederen bestaande, zig komt te

Waaromtrent dan geconditioneert is, dat den vader of eersten comparant voor zig in eigendom zal behouden zoals hem toegedeelt word bij deesen den geheelen boedel, de voordelige schulden ten zijnen voordeele hebben, mits betalende alle lastige boedelschulden, vervolgens aan zijne twee minderjarige kinderen, wanneer deselve haare mondige jaaren bereijkt hebben, voor haar moeders versterf uijtkeeren en betaalen eene somma van drie honderd ses en sestig gulden vijftien stuivers.Waarvan de zoon Hendrik voor zijn portie zal hebben 225 gulden benevens zijn moeders kiste, en de dogter Diene 141 gulden benevens een wiltogts bedde met zijn toebehooren en een ordentelijke kaste.
Zullende den vader of eersten comparant wijders verpligt zijn deese zijne onmondige kinderen behoorlijk te onderhouden in kost en kledinge, ordentelijk te laten leeren leesen en schrijven en verders behandelen als een goed ouder omtrent zijn kinderen verpligt is.
Tot nakominge van het gunt voorschreven verbinden de comparanten haare persoonen en goederen, belovende den eersten comparant [---] ten allen tijde op requeste der momberen hiervoor nader en sufficienter cautie te zullen stellen, alles ten fine en effecte als na rechten, voorts onder renuntiatie van alle exceptien deesen ter contraer zijnde, hebben de comparanten hierop gestipuleert.
[w.g.]
LA.Willinck, richter
Gerigtsluijden DWBecking
J:E:T:Grothe
Op dag en dato ondergeschreven is een vast en onverbrekelijk huwelijkscontract opgerigt, gededingt en geslooten tusschen Jan Groot Gotink weduwnaar wijlen Maria Kleijn Gotink bruijdegom ter eenre, en de eersame jonge dogter Janna Mennink bruijd ter andere zijde, en sulx op volgende conditien en huwelijksvoorwaarden:
Dat dit huwelijk ingevolge wetten deeser landen ten eersten zal voltrokken worden, niet van malkanderen als door de dood te scheijden.
Bruijdegom en bruijd zullen tot stuur en onderstand van dit huwelijk aanbrengen alle zodane goederen als ten wederzijde zijn besittende of in het vervolg mogten koomen aan te erven.
De landrechtelijke gemeenschap van goederen, samenwoninge en onverhoopt verlos zal in dit huwelijk in allen deelen plaats hebben en stand grijpen.
Tusschen bruijdegom en bruijd is geconvenieert en overeengekoomen in val dese huwelijksbed gescheurt word zonder kinderen en de bruijdegom voor zijner bruijd komende te overlijden zal de bruijd voor een morgengave uijt zijne goederen profiteren eene somma van twee hondert gulden, en in val het gebeurde, dat de bruijd voor haaren bruijdegom komt te sterven zal de bruijd voor een morgengave uijt zijne goederen genieten eene somma van een hondert en vijftig gulden.
Eijndelijk houden bruijdegom en bruijd zig gereserveert de magt om zig ten allen tijde nader te begiftigen of betugtigen zo hoog en laag als hun lieden goed dunken zal, welke voor zo bondig gehouden word of woordelijk in deesen geïnsereert stond.
Tot nakominge deeses verbinden bruijdegom en bruijd ten wederzijden haare persoonen en goederen ter submissie en judicature als na rechten.
In oerconde van waarheijd is deese bij bruijdegom en bruijd neffens aanwesende vrinden en getuigen eijgenhandig ondertekent.
Actum Hengelo, den 11 november 1796.Dese Г twee S merken zijn door Jan Groot Gotink en Janna Mennink als bruijdegom en bruijd na duijdelijke voorlesinge van de inhoud deeses eijgenhandig getekent.
[w.g.]
G:J: Praasterink
Willem Loman
Dit Ϣ merk is door Reijnd Mennink vader van de bruid eijenhandig getekent
DWBecking
J:E:T:Grothe
-----------ECAL
Toegangsnummer : 3021
Inventarisnummer : 0903 / 224-225Op den 11 november 1796
Coram L.A. Willinck, richter
Gerigtsluijden D.W. Becking en mr. J.E.T. GrotheTekst van borgstelling en magescheid zijn vrijwel identiek aan die in ECAL 3021-908-17-22; alleen staat in deze versie vóór het magescheid nog:
Eodem dato et coram eijsdem.
Compareerde Jan Groot Gotink …..[In de marge:]
Op den 28 november 1815 heeft Janna Mennink voormaals weduwe van Jan Groot Gotink thans hertroudt met Berend Massink ter mijner presentie overgetelt zodane zom van 141 gulden als aan haar voordogter Diena Groot Gotink voor haar moeders versterf bij magescheijd was toegeset hebbende het wiltogts bedde met de kast ontvangen waar mede ten
vollen aan den inhoud van dat magescheijd voldaan is
LEES OOK:
1804 Taxatierappport van de boerderij 'Groot Gotink'
(Uit het boek Schatten uit het historisch verleden van Hengelo Gld. , door Marian Kruijt-Greevink)
ECAL 3021 - 892-893
Diefstal van een roodkoperen ketel
Hengelo, den 3. September 1805
'Compareerde Jan Groot Gotink, oud 50 jaar', en verklaarde dat op woensdagavond 28 augustus 'ten zijnen huijse gekoomen zijn twee vreemde persoonen den eenen een bejaard man, den anderen een jonge kerel, lang en dun, rad ter been', die gevraagd hadden of ze de nacht bij hen konden logeren. Omdat Jan Groot Gotink zelf niet thuis was, want hij was rogge aan het maaien, wilde zijn vrouw daar eerst niets van weten. Maar de mannen bleven aandringen en ze heeft ze toen een slaapplaats aangeboden op de hilde 319. Toen Jan 's avonds thuiskwam, hadden de twee mannen zich al teruggetrokken op de hilde en hij heeft ze niet gezien en kan ook geen exacte beschrijving van hen geven. 'Hebbende van zijn vrouw gehoort dat zij (die mannen) dien morgen waaren weggegaan na dat alvoorens op de geut320 wat hadden staan speculeren' 321. In de nacht van donderdag op vrijdag bemerkte het echtpaar dat een grote roodkoperen ketel met een inhoud van wel zes emmers water, van de geut was verdwenen, terwijl 'de volgende omstandigheden zijn voorgevallen: Dat een vengster 322 aan de geut dat van buijten toe dog binnen niet gegrendelt was, zittende stijf in zijn sponning, van buijten met een plat ijseren instrument ondergestooken en opengeboogen was, dat vervolgens een ruijt in het glasraam van buijten stukken gestoten was en also het raam na binnen opengestoten, dat zij door dat raam ingegaan en dan hier voorens gemelde rood koperen ketel, welke op de geut stond daar uijt gehaald hebben'. In de koperen ketel waren aardappelen voor de varkens gekookt en een deel van de aardappelen zat nog in de ketel. De dieven hebben dat onder het venster gegooid en zijn er met de ketel vandoor gegaan richting Kleijn Gotink. Omdat daar onlangs een stuk haverland was gemaaid, hebben arbeiders het hengsel dat aan het oor van de ketel hing, daar in het gras gevonden. Dat was met geweld van de ketel gebogen.
's Middags om twee uur verschijnt de vrouw van Jan Groot Gotink, Janna Mennink geheten, 30 jaar oud, voor het gerecht. Zij kon een beschrijving geven van de twee dieven. 'Die eenen al bejaard en niet heel groot was, aan hebbende een grijsagtige jas, na haar beste weeten schoenen met riemen, zijn eijgen haar al grijsagtig zijnde, een ronden hoed op het hooft, den jongsten een leuk manspersoon, dun en heel geswind zijnde, aan hebbende een blauwe jas, rood haar dat hem lank en ongebonden om het hoofd hing, een ronden hoed op het hoofd, bij zig hebbende een kleijn rood bruijnagtig hondjen, kaalharig, hebbende beijde een pak op de rug, den jongsten groter als den ouden man, waar in medicijnen olien en vlessen hadden om te verkoopen, voorgevende van Kleijn Rekum te koomen en na Doetinchem toe wilde'. De mannen verzochten om wat 'soetemelk en brood en of (ze) dien nagt daar konden blijven'. Janna gaf ze wat melk en brood en nadat ze hadden gegeten zei ze dat ze al een aantal roggemaaiers in huis had en er dus geen plaats voor hen was, waarop de oude man zei dat ze dan wel in de hooizolder konden slapen, omdat ze moe waren en niet verder konden lopen. Janna wees ze daarop de hilde aan en daar zijn de mannen met het hondje gaan slapen. 'Dat zij (die mannen) des morgens om de streek van seven uur of daar omtrent wederom voor den dag gekomen zijn na de put gegaan zig gewasschen, vervolgens op de geut gegaan en aan een aldaar hangende handdoek zig afgedroogt hebben en nadat (ze) wat melk en brood gebruijkt hadden, wederom vertrokken zonder iets quaads ten haaren huijse verrigt te hebben'. Maar de volgende nacht werd uit haar huis een roodkoperen ketel gestolen en ze beschreef hoe de dieven zijn binnengekomen, zoals ook haar man hierboven had gedaan. Ze merkte verder nog op dat door de aardappelbrij een klein hondje had gelopen, maar dat ze verder niets nieuws kon vertellen.
319 hooizolder
320 goot, bijkeuken
321 overleggen, nadenken
322 raam, venster
(Bron Gelders Archief, transcripties door Sikke Postma)
Memorie van aangifte betreffende de nalmatenschap van wijlen Berend Massink, in leven landbouwer, gewoond hebbende en overleden te Hengelo, den 29 mei 1825, opgemaakt door deszelfs nagebleven weduwe Janna Mennink, bouwvrouw, wonende onder Hengelo, als bij testament, gepasseerd voor den notaris Gallée en getuigen te Vorden den 29 september 1817, geregistreerd te Zutphen den 2 julij 1825, benoemde eenige en universele erfgename van ’s overledens geheele nalatenschap, dewelke domicilie kiest op het erve Groote Gotink in de buurschap Varsel onder de gemeente Hengelo.
En wordt mitsdien aangegeven:
1e Dat de nagelatene goederen, het actief dezer nalatenschap uitmakende, bestaan in de volgende:

Recapitulatie
Het actief hierboven omschreven bedraagt te zamen vier honderd
twee en zeventig gulden zeven en veertig en een halve cents f 472,475
Het passief daarentegen beloopt twee honderd zes en tachtig
gulden twee en negentig cents 286,92Dus het zuiver saldo honderd vijf en tachtig gulden vijf en vijftig en een halve cents f 185,555
3e Dat tot dit saldo ab intestato geregtigd was des overledens halve broeder Garrit Jan Wentink, zoon van Hendrik Jan Wentink en Katrina Geesink, welke laatste ook ’s overledens moeder geweest is: doch door de in het hoofd dezes aangehaalde dispositie is tot zijne eenige en universele erfgename benoemd, deszelfs echtgenoote voornoemd.
4e Dat door het overlijden van gemelden Berend Massink geen fidei commis gedevolveert, noch vruchtgebruik afgestorven, noch eigendom van lijftuchtelijk kapitaal of goed overgegaan is.
In waarheids kennis is deze geteekend te Vorden den 28 november 1825.
De doorhaling van vier woorden op de tweede bladzijde goedgekeurd.
O eigenhandig merk van Janna Mennink, weduwe van Berend Massink, na voorlezing gesteld, zulks getuigen
[w.g.]
Penning JHGallée Deel?
---------Deel 6, folio 108, No 67 van de tafel der sterfgevallen
Beëedigd door de aangeversche bij procesverbaal den 23 januarij 1826. Ingeleverd den 1 februarij volgende.Op heden den drie en twintigsten januarij 1800 zes en twintig, compareerde voor ons Borchard Frederik Willem van Westerholt, vrederechter van het kanton Vorden, kwartier Zutphen, provincie Gelderland, Janna Mennink weduwe Berend Massink, overleden in de maand mei 1800 vijf en twintig te Hengelo, niets verzwegen te hebben dat tot diens boedel behoord, en voor de regeling op het regt van successie heeft moeten worden aangegeven, nog dezelfde schuld twee of meermalen te hebben gebragt, noch eenige schuld te hebben opgegeven, welke niet uit den boedel moet worden betaald; voorts de roerende goederen, van welke de waardering bij de wet op het regt van successie aan den aangever of aan tauxatie van deskundigen is overgelaten, tot dien prijs te hebben gesteld welke zij in gemoede hoord als de waarde der zelven, zo als die bij de wet op het regt van successie wordt gevorderd; en eijndelijk dadelijk te zullen doen; aangifte van, en het regt van successie te zullen voldoen, voor die goederen, welke zij naderhand zullen vermenen niet of kwalijk te hebben aangegeven.
Waarop de comparante den eed in onze handen heeft afgelegd.
Waar van dit proces verbaal is opgemaakt, door ons en onzen griffier getekend, verklarende de comparante niet te kunnen schrijven.Was getekend
B.F.W. van Westerholt, C.D. Willinck, griffier
(onder stond) Gratis geregistreerd te Zutphen den acht en twintigste januarij 1800 zes en twintig, deel 12, folio 95, vak 3. W.get. (P. van Hamel)
Voor expeditie
[w.g.]
C.D. Willinck
griffier
Memorie van aangifte betreffende de nalatenschap van wijlen Hendrikus Bruil, in leven buiten beroep, gewoond hebbende en overleden te Hengelo den 18 februarij 1838. Opgemaakt door deszelfs nagelaten weduwe Janna Mennink, buiten beroep wonende te Hengelo. Kiezende de aangeefster ten deze domicilie ter harer woonstede op het erve Groot Gotink in Varsel onder de gemeente Hengelo.

2e Dat er in gemelde nalatenschap geene nadeelige boedel schulden gevonden worden.3e Dat den overledenen tot zijne erfgenaamen bij versterf heeft nagelaten zijne moeder Reintjen Didzel weduwe van wijlen Jan Bruil, en voorts zijne twee broeders en twee zusters, Evert, Harmen, Garritjen, en Teuntjen Bruil, doch is bij huwelijks contract opgerigt tusschen den wijlen Hendrikus Bruil en zijne nagelaten weduwe Janna Mennink, gepasseerd voor den te Vorden residerenden notaris Johan Hendrik Gallée in bijzijn van getuigen te Vorden den 25 mei 1826, den 26 mei daaraan volgende te Zutphen geregistreerd, bepaald, eene algemeene gemeenschap van goederen, en zoo de bruidegom het eerst kwam te sterven, zonder kind of kinderen na te laten, dat als dan de bruid wordt geïnstitueerd als zijne eenige erfgenaam, en in dat geval aan zijne moeder Reintjen Didzel, alleen zal behoeven te worden uitgekeerd deszelfs kleederen en lijfstoebehoren, benevens de som van honderd gulden.
4e Dat door het overlijden van genoemden Hendrikus Bruil, geen fidei commis gedevolveerd, noch vruchtgebruik afgestorven, noch eigendom van lijftuchtelijk kapitaal of goed overgegaan is.
In waarheids kennis is deze geteekend en overgegeven ten kantore van registratie, actum te Hengelo op heden den 2 april 1838.
X merk van Janna Mennink
Dat bovenstaande merk voor handteekening door de daarbij genoemde persoon eigenhandig is getrokken getuigen wij ondergeteekenden.
[w.g.]
JH Lentink
G. Meijerink[andere handschriften]
Wanneer bewezen kan worden dat de moeder met de bepaling van dit huwelijkscontract genoegen neemt zoude dan niet 4% vorderbaar worden voor cessie van erfregt?Neen vermits het hier eene erfstelling geldt, die buiten het bereik is der [Restitutie] wet, te meer wanneer de moeder met de uitzetting genoegen neemt, aan wien het volgens art 921 uit Code Napoleon (art. 967 Nederlands Burgerlijk Wetboek) alleen staat om zoo nodig eene reductie der universele erfstelling te vorderen.

1838 Bron Arnhemsche Courant.
1870 Bron Zutphensche Courant.
1875 Bron Zutphensche Courant.
1880 Bron Zutphensche Courant.
1988 Kopie H. Schuppers-Demming.
Gepubliceerd in
Sarinkdijk 21